Peter Winnen vertelt.

Peter Winnen vertelt.

Ik begon echt veel wedstrijdjes te winnen op mijn 14e. Ik weet nog dat ik 30 van de 35 wedstrijden won en daarna in de winter alle veldritten. Het ging zo goed dat ik verder wilde. Ik moest dan van club veranderden zodat ik bij de KNWU kon gaan rijden. Gek genoeg ging het daarna een jaar helemaal niet zo goed. Ik zat net in een groeispurt en was niet vooruit te branden. Ik voelde me ook helemaal niet goed in dat jaar. Nadat ik eenmaal op mijn 17e van de aspiranten naar de junioren overstapte, kwam het goede gevoel weer terug. Ik reed in die tijd veel wedstrijdjes in Limburg en merkte daar dat ik aardig kon klimmen.

Voor een jonge knul is elke helling er eentje en ik werd steeds een iets betere klimmer omdat ik me altijd goed kon focussen en concentreren. Waarschijnlijk had ik er ook de fysieke gesteldheid voor. Als jonge vent had ik een enorme eerzucht en een tomeloze ambitie.

Amateur:

In mijn amateurtijd ben ik gewoon mijn opleiding blijven doen en daardoor zakte het niveau een beetje weg. We reden met kleine ploegjes meestal in Limburg en België. Liever geen waaierklassiekers. In dat circuit zat ik niet. Ik heb bijvoorbeeld Olympia’s Tour nooit gereden en dat vind ik nog steeds niet erg. Ik heb wel een keer de ronde van Noord Holland gereden en toen ben ik zo ongenadig op mijn bek gegaan. Ik had die dag ook geen handschoentjes aan, de vellen hingen erbij. Dat waaierrijden is zo’n specifiek onderdeel. Je moet het wel beheersen als beroepsrenner, maar voor mij was het niet weggelegd.

Als ik aan die Nederlandse waaierklassiekers denk. Je moest al aan de bumper aan de start staan en binnen een kilometer was het al gebeurd. Er werden dan vier of vijf waaiers gevormd en als je niet meteen in de goede waaier zat was het al klaar. Dat was voor mij niet interessant.    Ik kon daar niet zoveel uithalen’.

In het laatste jaar van mijn opleiding heb ik veel tijd aan studie besteed en bijna niks gereden. Ik ontdekte in dat jaar ook hele andere kanten van het leven. Met een vriendinnetje heb ik eerst een lange trektocht door Europa gemaakt en toen ik in het najaar terugkwam heb ik toch nog wel snel wat najaarskoersen gereden. Ik kreeg het idee om een paar jaar alles op het wielrennen te zetten. Het vervelende was dat ik eerst nog in militaire dienst moest. Ik moest daar zo snel mogelijk uit met ‘S5’ of zo.  Het viel toch tegen, want ik had er nog 3 weken voor nodig om weg te komen.

In die drie weken lachte ik overal om, al die regeltjes … Het was een bijzondere wereld, waar ik niet in paste en ik wilde gewoon zo snel mogelijk weg. Ik heb een paar rare dingen gedaan om weg te komen. Ze hadden me geplaatst tegen mijn wil in, op de kaderopleiding in de Jan van Schaffelaar kazerne in Ermelo. Ik heb daar dingen gedaan, daar zou je nu voor tegen de muur gezet worden. Voor de zoveelste keer moest ik mijn geweer uit elkaar halen en schoonmaken. Ik werd het zo beu dat ik het geweer tegen de borst van de sergeant zette en zei: ‘Nu de handen omhoog’. Dat was beslissend. S5. Ik kon vertrekken.

De Tour de l’Avenir heb ik gereden in 1979 nadat ik mijn opleiding had afgerond. Ik kwam als afgestudeerd onderwijzer in de kaartenbak van het arbeidsbureau terecht, want werk was er niet. Ik heb me toen helemaal gestort op wielrennen. In 1980 werd ik tweede in de Vredeskoers. Daarna ben ik naar Olympische spelen in Moskou geweest en er kwamen wat aanbiedingen. Drie dagen na die Spelen, reed ik al de eerste rit bij de professionals.

Beroepsrenner:

Als beginnende beroepsrenner kwam ik bij IJsboerke terecht. Dat was een gouden greep. Het was een behoorlijke ploeg. Er was eigenlijk geen geld maar er werd een oplossing gevonden. Ze zette me op de loonlijst van Koga-Miyata en betaalde me gewoon uit als werknemer. Ik kreeg het salaris van een rijwielmonteur. Was al wel een hele vooruitgang, want ik zat nog op een uitkering.

Ik zat naar het WK wielrennen thuis te kijken, naar de Belg en toen kwam dat bericht door. De baas van IJsboerke trekt de stekker eruit. Paniek. Wat nou, ik  was net een paar weken beroepsrenner. Gelukkig belde Godefroot op dat hij op zoek zou gaan naar een andere sponsor en dat er niks zou veranderen en hij kwam met die Duitsers van Caprisonne op de proppen. Zij hebben dat twee jaar gedaan en zijn toen gestopt omdat ze het Duitse frisse imago van hun product niet helemaal in overeenstemming vonden met het troebele imago van het wielrennen. Er was ook veel gedoe met de jongens van Raleigh en wij van Caprisonne. Je kon met die bijdehandte jongens wel combines afsluiten, maar dan werd je nog geflikt waar je bij stond.

Tijdens de Amstel Gold Race werd er weer zo’n afspraak voorbereid. Dat ging met briefjes over en weer tussen die ploegleiders. De Amstel Gold Race werd gewonnen door iemand van Raleigh en de wederdienst zou komen bij Rund um die Henniger Turm in Duitsland dus. Maar goed toen werd Caprisonne ook weer genaaid en dan zaten de directies van de twee ploegen weer samen in de auto. Barend en Van Dorp hebben toen die hele maffiaconnectie uitgespit hebben het verhaal gepubliceerd. Toen besloten de heren van Caprisonne toch maar om eruit te stappen omdat het imago niet meer klopte. Ik ben daarna naar TI-Raleigh van Peter Post gegaan en ik kon me daar snel aanpassen. Het was wel een heel bijzonder team. De juiste mensen op de juiste plaats en de juiste tijd zaten daar bij elkaar.

Lekker fietsen:

Ik fiets nog wel eens in de bergen, maar het gaat allemaal even slecht op mijn leeftijd. Dat is wel een afknapper. De snelheid waarmee je niveau keldert dat is echt beangstigend. Pas dan merk je wat voor niveau je hebt gehad. Dat je dingen hebt gedaan die eigenlijk helemaal niet kunnen. Ik rijd met een compact, geen triple, aan twee tandwielen heb je echt genoeg.  Bij een triple zit je toch wel wat breder en dat voelt niet fijn in de heupen.  Kleine verschillen in de afstelling merk ik al. Als ik een andere fiets heb staat hij na drie fietstochten goed . Ik stel hem altijd zo af dat ik lekker zit, want dat voel je in elke positie. Dat zit je comfortabel. Ik verslijt niet veel fietsen. Deze fiets heb ik al een jaar of zes. Ik heb hem ooit gesponsord gekregen door Koga, voor mijn tochten in Afrika. Hij zit helemaal goed, is licht en ik verander er niks meer aan. Qua geometrie verschillen de fietsen van nu niet zo veel meer. Vroeger waren de Italiaanse fietsen een stuk steiler. Daar zat ik niet goed op. De zadelbuis stond meer rechtop. Je kon er dan wel wat aan doen door met je zadel te schuiven, maar dat vond ik niet echt prettig. Bij Post reden we op Raleighfietsen en die werden gebouwd door de huismecanicien Jan Legrand. Hij bouwde hem precies zoals jij hem wilde hebben.

Bij Peter Post waren er in het begin van het seizoen wel groepstrainingen, duurtrainingen en in die fase is van het seizoen is dat erg nuttig. Je hoort wel eens verhalen over trainingsbeesten die heel veel uren per dag rijden. Ik vind dat op die manier veel energie verloren gaat. Zelf zou ik ook geen goede trainer zijn, want daar moet je een beetje een maniak voor zijn. Dat wil ik een ander niet aan doen. Wij hadden toen geen echte trainers, dat bestond toen nog niet. Ik heb wel eens gewerkt met Belgische trainer, zoals met de trainer van Phil Anderson, dat ging wel met hartslagmeters en zo. Ik vond dat geen succes, ik vond die schema’s veel en veel te zwaar. De ouderwetse trainingsmethodes van het wielrennen, duurtrainingen, alleen maar uren maken, vond ik ook niet goed. Ik merkte aan mezelf dat het niet goed was voor mijn gestel. Je moest er een heleboel energie instoppen in iets dat maar tot een bepaalde hoogte nut had en voor mij volstrekt nutteloos was. Voor mij was de beste training, zoals ik het in het begin van mijn carrière al deed. Wat duurtrainingen en in de winter in het bos en op de weg. Dan in het voorjaar enkele rittenkoersen en dan telkens een week daartussen. Dan bouwde ik op een harmonische manier mijn conditie op naar de zomer.

 

Reageren is niet mogelijk.